26 Maart 2014

Gerhard Bolks – Gramsbergen / Toekomst van de duivensport.3

Het is inmiddels al weer vier jaar geleden dat iedere duivenliefhebber het ambitiedocument “Vlucht naar de toekomst” in de brievenbus vond. Ik heb dat met het oog op deze column/minireportage weer eens even uit de kast gehaald. Mijn oog viel daarbij op de zin “Een ieder wordt uitgedaagd om mee te doen aan de vernieuwde duivensportbeweging in Nederland”. Als ik zo hier en daar mijn oor eens te luisteren legde de afgelopen jaren, krijg ik toch sterk het idee dat de meeste duivensporters zich helemaal niet uitgedaagd voelen. Er zijn er velen die zich het hoofd niet zullen breken over de toekomst van de duivensport, maar denken “het zal mijn tijd wel duren”. En dat kan ik me gezien de leeftijd van de grootste groep duivenliefhebbers ook wel voorstellen. De meesten hebben immers een leeftijd waarop de gemiddelde mens zich niet meer zo druk overal om maakt. Velen lopen tegen de zeventig of zijn nog ouder. Maar er is ook een categorie liefhebbers die zich wel regelmatig afvraagt of - en hoe het tijd te keren is. Een van die mensen is de 60 jarige Gerhard Bolks uit Gramsbergen. Gerhard die inmiddels zo’n 45 jaren meeloopt in de duivensport, onder andere als convoyeur, voorzitter van het Tucht – en Geschillencollege, en als bestuurslid/secretaris van de Vechtevliegers te Gramsbergen heeft een duidelijke visie op dit onderwerp.

Gerhard maakt onderscheid in drie groepen duivenliefhebbers:

Het overgrote deel bestaat uit liefhebbers die al jarenlang aanzien hoe het steeds verder bergafwaarts gaat en de moed niet kunnen opbrengen om te willen/kunnen veranderen. In feite zijn dit de liefhebbers die tevreden zijn met het verzorgen van hun duifjes en zo nu en dan een redelijke uitslag op verenigingsniveau of eens een vroege duif in het rayon. Die ook veel prijs stellen op de gezelligheid van het verenigingsgebeuren en de uurtjes na het inkorven en na de uitslag aan de bar. Het zijn de hobbyisten die naast de duiven ook nog andere liefhebberijen hebben en oog hebben voor hun partner/gezin. Zeg maar de traditionele duivenmelker.

De tweede groep is de duivensporter die altijd met zijn duiven bezig is. Waarvoor de duivensport de ultieme vrije tijdbesteding is en die er heel veel voor over heeft om op rayonniveau bij de top 10 te behoren. Die veel leest, DVD’s kijkt, naar forums gaat enz. en binnen zijn mogelijkheden africht en aan medische begeleiding doet, maar uiteindelijk toch moet ervaren dat alle competitiedrift ten spijt er toch nog professionele liefhebbers zijn die hem declasseren. Hij of zij ziet zijn clubgenoten niet als collega-duivenmelkers maar als concurrenten voor de beste klassering. En die op een bepaald moment toch afhaakt omdat hij die laatste stap naar de echte top net niet kan maken. Iets wat vooral nieuwe aanwas regelmatig overkomt. Diegene die de geest van de moderne tijd uitstraalt waarbij presteren voorop staat en alle inspanning in verhouding moet staan met de beloning die kan worden verkregen. En zodra dat niet meer aan de orde is, andere mogelijkheden gaat zoeken om zijn behoeften te kunnen bevredigen.

De derde groep is de kleine groep die het beeld van de duivensport bepaalt. Dat zijn de mensen die grote bedragen betalen voor die enkele topduiven, degene met de mega-hokken die menig concours oprollen. Voor wie slechts de eerste prijs in groot verband nog telt en teletekst commercieel aantrekkelijk is. Zij die alles weten over medicijnen en "boosten" en voor wie dierenliefde een vreemd woord is en het ultieme presteren bittere economische noodzaak is geworden. Diegene waarvan men vroeger al zei; "die wacht niet op zijn duiven maar op zijn geld". Dit zijn veelal ook degenen die in vergaderingen en verenigingen elke keer weer de beste omstandigheden voor eigen succes weten te realiseren.

Gerhard is van mening dat het onmogelijk is om alle drie de groepen tegelijk te bedienen. Waar je ook voor kiest, iedere keuze zal de andere groepen liefhebbers benadelen, zegt hij. Vandaar dat hij enkele jaren geleden zitting heeft genomen in een commissie van afdeling 10 N.O. Nederland, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat in deze afdeling een systeem van 3 divisies wordt gehanteerd in de vorm van een pilot. Wel is nu nog het “oude systeem” bepalend voor de kampioenschappen. De afdeling 10 is bezig met de verwerking van een enquête onder haar leden waarvan de eerste resultaten aan de verenigingen zijn gepresenteerd. De definitieve uitwerking vindt op termijn plaats. Het laatste initiatief is het instellen van een commissie die zich gaat buigen over de rayonindeling en de grensproblematiek.

Uit het bovenstaande blijkt dus wel dat Gerhard het niet alleen bij woorden laat maar ook daadwerkelijk actief is om iets te veranderen om zo’n groot mogelijke groep duivenliefhebbers voor de sport te behouden. Uiteraard is het fantastisch dat mensen als Gerhard hier hun schouders onderzetten. Daarnaast zullen er ook initiatieven ontplooid moeten worden om nieuwe leden te werven. Ik vroeg Gerard hoe hij zelf in de duivensport terecht gekomen is. “Ik heb al sinds ik me kan herinneren duiven. Mijn vader had bij de boerderij van zijn ouders al sierduiven. Ik ben nog jeugdlid bij de DZOH Coevorden geweest samen met 3 andere jongens uit Gramsbergen.” Om je als organisatie tot potentiële nieuwe leden te kunnen richten zal je moeten weten wat iemand nu zo aantrekt in de duivensport. Ik stelde deze vraag daarom ook aan Gerard. Hij zegt hier het volgende over; “Het feit dat je eigenlijk overal zelf verantwoordelijk voor bent. Jij bepaalt de kweek, wie mee gaat met welke vluchten, wanneer en hoe afgericht wordt, hoe gevoerd wordt enz. Je bent duivenmanager en meestal kun je dus de schuld als er iets mis gaat dus ook bij je zelf zoeken. Dat spreekt mij het meeste aan van de duivensport.”

Gerhard heeft wel een idee waarom de duivensport niet zo veel jeugd meer trekt als vroeger. “Ik ben jeugdtrainer bij de voetbal geweest en zie daar ook dat ze afhaken, zodra er echt iets voor ingeleverd moet worden. Vakken vullen bij de plaatselijke supermarkt levert meer op voor het uitgaan in het weekend en er zijn zo veel mogelijkheden om uit te kiezen voor simpel vermaak zonder dat je er veel inspanning voor hoeft te leveren. Van het optillen van een bierglas word je niet zo snel moe. De jongere generatie voor de duivensport interesseren is niet zo eenvoudig. Dat kan door ze al vroeg mee te nemen, er kennis mee te laten maken via schoolbezoeken en dergelijke en natuurlijk als ze in een gezin met duiven opgroeien. De aanwas moet komen uit die groep mensen, eerder volwassen en oud dan jong, met voldoende middelen, die op zoek zijn naar een uitdaging en die ook zich bewust zijn van de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze hobby. En dat zijn er niet veel. Daarnaast is het zo dat de duivensport niet gemakkelijk is. Je moet veel (willen) zien, maar er ook tijd insteken en een inspanning voor leveren. Maar dat geldt ook voor andere hobby’s/sporten. Alleen is het wel zo dat het wel erg veel tegelijk is om aan te beginnen. Een hok bouwen/kopen, duiven kopen/krijgen, kweken, africhten/trainen/voeren, wedvluchten, rui enz. Om te starten eigenlijk veel te veel. Daarom zie je ook vaak dat een beginnend liefhebber die alleen jonge duiven heeft, vaak wel goed start, maar het jaar er op niet mee komt en daarna met enkele jaren de stofjas aan de wilgen hangt. De opgave is gewoon te groot. Eigenlijk zou je je de eerste jaren moeten beperken in je spel en niet alles tegelijk willen. Zijn advies aan een beginnend liefhebber is; Vooraf duidelijk bepalen wat je wilt en je aan kunt onder jouw omstandigheden. Laat je vooral niet gek maken. Begin simpel en probeer het dan langzamerhand uit te bouwen. Niet direct investeren, leer eerst maar eens duiven verzorgen en als je echt slim bent loop je eerst een jaartje met een liefhebber mee.”

Gevraagd naar zijn eigen duivensportbeleving geeft Gerhard aan dat kampioenschappen hem niet zo veel zeggen en dat hij er het nut niet van inziet om de strijd aan te gaan met de mega-hokken. “Mooie uitslagen maken en dat graag op het moment dat ik het zelf ook heb gepland. En wat vind ik dan mooie uitslagen? De diverse afdeling/rayonoverwinningen van de afgelopen jaren, het winnen van het “Harrie Luinge” concours, een 2e NPO Ablis en een 9e NPO Morlincourt. Ik beleef ook veel plezier aan de omgang met mijn duiven. Ik hou dan ook niet van wilde duiven. Op zondag pak ik doorgaans al mijn duiven in de hand en kijk ze na. De jonge duiven wen ik aan de mand en daar worden ze ook mak van. Daarnaast mag ik ook graag, als ze dat willen, even met een duif stoeien. Dat hoeft niet, maar voor me weg vliegen is niet acceptabel.”

Tot slot nog enkele vragen:

Wat zie jij als het grootste gevaar voor het behoud van de duivensport?

Hetzelfde gevaar dat alles bedreigt wat een inspanning vergt. Er is nu zoveel diversiteit in het aanbod van vermaak dat geen inspanning maar enkel geld kost, dat het in deze tijdgeest van snel, snel consumeren steeds moeilijker wordt om een voortdurende inspanning te leveren gericht op de lange termijn behoeftebevrediging. En daar staat de duivensport echt niet alleen in. Bovendien vergt het omgaan met dieren toch al een extra inspanning en het investeren in een persoonlijke band en vaak de gebondenheid aan huis en verplichtingen. Daarom zie je ook steeds minder kleindierverenigingen e.d.

Vindt je het belangrijk dat het gezin/vrouw achter de sport staat en ook iets met duiven heeft? Hoe zit dat bij jou?

Gelukkig is mijn vrouw ook dierenliefhebster. We hebben samen politiehonden getraind. Ik kon in de tijd dat ik convoyeur was dan ook met een gerust hart de duiven aan haar en mijn vader en later aan mijn jongste zoon over laten.

Duivensport is een tijdrovende sport en soms lastig te combineren met werk en gezin. Geldt dat ook voor jou?

Ik ben ook getroffen door de wetgeving m.b.t. het uitstellen van de AOW-leeftijd. Ik had graag na mijn 60e meer tijd voor de duiven gehad, maar moet nu door tot mijn 66e. Je kunt heel beperkt tijd investeren en toch redelijk vliegen, maar zowel voor de prestaties als het hobbygevoel is het bij elke omgang met levende wezens van belang dat je tijd hebt voor een individuele benadering. Nu moet het nog te vaak via een systeem dat is gericht op de ploeg en niet op het individu.

Is specialisatie onvermijdelijk? Wat is daar het nadeel van?

Voor specialisatie geldt dat dit mijn inziens vooral te maken heeft met voor welke beleving je zelf kiest. Wil je mee doen met de besten dan kun je niet anders. Maar daar geldt dan ook weer dat het enkel om de prestatie gaat en mijn inziens zijn er nog veel meer leuke kanten aan de postduivensport dan enkel die prestatiegerichtheid.


05-03-2014

Marc Flap – Hoogezand / Beginners bij de Sport houden.5

In mijn vorige column over dit onderwerp stond een jonge liefhebber van begin 20 centraal, namelijk Harmen Faber. Ook deze keer laat ik weer een jonge liefhebber aan het woord. Het verschil met Harmen is dat deze ondanks zijn jonge leeftijd toch al 16 jaar actief is in de duivensport. Marc Flap, de 23 jarige hoofdpersoon in dit verhaal heeft echter nog maar één jaar duiven. Voor hem heeft de duivensport veel meer geheimen dan voor jongens als Harmen die er mee zijn opgegroeid en in de beginjaren konden terugvallen op een ouder die hen behoedde voor de grootste blunders. Beginners als Marc hebben vooral veel vragen over de basale dingen van de duivensport. Hij brengt dan ook heel wat uurtjes door op het internet, zoekende naar antwoord op zijn vragen en daarnaast heeft hij veel DVD’s over de duivensport bekeken. Maar de duivensport kent veel vakjargon en er wordt ook nogal wat mist opgeworpen in de zin van menige tegenstrijdigheid. Gelukkig heeft hij van Gert Cirkel, de man achter het grootste Nederlandse bedrijf in Witte Duiven verhuur, niet alleen een paar goed presterende jonge witte duiven gekocht, maar ook waardevolle adviezen gekregen omtrent de verzorging. Hierdoor maakte Marc met de jonge duiven een mooie start, ondanks dat hij ze niet verduisterd had.

Marc kwam in contact met de duivensport toen hij bij de buren van zijn vriendin een duiventil zag met een paar witte duiven. Dat leek hem ook wel leuk, dus kwam er snel een duiventil. Die til werd spoedig te klein, dus werd er een tweedehands hok via Duivenmarktplaats gekocht. Vervolgens kreeg hij de totale ploeg van 20 oude duiven van Egbert Mulder die bij hem in de straat woonde. Die stopte met de duivensport. Nadat deze waren over gewend werd Marc lid van de vereniging de Vredesduif met zo’n 35 vliegende leden. De oude overgewende duiven lieten hem nog wel eens in de steek, maar met hun jongen die aangevuld werden met een 10 tal witten van Gert Cirkel, ging het heel wat beter. Zeker wanneer je weet dat ze niet verduisterd werden en hij met 27 jonge duiven het seizoen begon en met 25 eindigde na alle jonge duivenvluchten te hebben meegespeeld. Dat doen hem niet zoveel al jaren spelende liefhebbers na. Zijn hoogste klassering is een 9e in het rayon op 1971 jonge duiven. Door nu wel te gaan verduisteren en omdat hij er inmiddels iets meer kijk op heeft gekregen hoopt Marc dit jaar nog mooiere uitslagen te maken met zijn lichting van 2014.

Net als bij veel beginners zie je bij Marc ook dat hij nogal eens twijfelt of hij het wel goed doet. Vooral als zijn duiven niet helemaal fit lijken te zijn. Om dan te zien wat er aan zijn duiven mankeert vindt hij knap lastig. Op zulke momenten hebben dit soort jongens een ervaren liefhebber nodig die wel meteen ziet wat er aan scheelt en ook weet wat er aan te doen is. Gelukkig kan hij in een dergelijke situatie wel raad vragen bij de al tientallen jaren goed spelende liefhebber Evert Antonidus, een oudere clubgenoot met wie hij goed kan opschieten. Marc zegt hierover; “Eigenlijk is het bijna niet mogelijk om zonder enige kennis met de duivensport te beginnen, als je geen hulp hebt. De duivensportwereld is niet erg toegankelijk voor mensen die helemaal niets van een duif weten. De meeste liefhebbers staan niet te trappelen om je te helpen en je kennis bij te brengen. Het lijkt wel of sommigen bang zijn voor meer concurrentie, in plaats van dat ze blij zijn dat er nieuwe liefhebbers bij komen. Ik ben pas een jaar bezig, maar ben toch al verschillende malen tegen zaken aangelopen die ik niet zo mooi vind, zoals oneerlijkheid, jaloezie en afgunst. Dat vind ik wel jammer, want de sport op zich vind ik prachtig. Gelukkig hebben we een vrij grote vereniging, dus is er altijd wel iemand te vinden als ik het echt niet meer weet.”

Er zijn grote verschillen binnen de duivensport in doelstelling en beleving. Op zich is dat natuurlijk helemaal geen probleem zolang je maar niet wilt dat de ander de dingen op dezelfde manier bekijkt als jij. En juist daar zit volgens mij in de duivensport het pijnpunt. Men begrijpt elkaar vaak niet en doet ook meestal geen moeite om elkaars standpunt te begrijpen en richt zich dan vooral op zijn eigen individuele sportbeleving. Dat vooral een beginnende liefhebber als Marc hier tegenaan loopt is begrijpelijk. Zij zijn immers erg afhankelijk van hulp. Hij is niet de enige die opmerkt dat er veel jaloezie en afgunst is binnen de duivensport. Ik heb al verschillende malen mensen gesproken die om die reden na een paar jaar er weer de brui aan hebben gegeven. En dat is jammer. Maar gelukkig zijn er ook heel veel positievere geluiden. Een voorbeeld is de vereniging de Streekvliegers in Staphorst waarover ik eerder schreef. Die hebben een jeugd en beginnerscommissie die de beginners en jeugdleden stimuleren en helpen. Dat zou je eigenlijk in iedere vereniging moeten hebben. In die kleine verenigingen waar men nauwelijks voldoende liefhebbers heeft en alles al steeds op de schouders van dezelfde mensen terecht komt is zoiets natuurlijk lastig te organiseren, maar misschien moet je zoiets in rayonverband organiseren. Het zal de sport ten goede komen, daar ben ik wel van overtuigd.


18-02-2014

Geert van Dijk – Nijmegen / Duiven houden op een balkon

Vanaf mijn start met de-duivencoach.nl word ik behalve door duivenliefhebbers of mensen die met de duivensport willen beginnen, ook door allerlei mensen benaderd die zelf geen duiven hebben. Dat betreft de meest uiteenlopende vragen. Zo heb ik de afgelopen jaren vragen gehad over het verminderen van overlast door verwilderde duiven, word ik (vooral in de zomer) regelmatig benaderd om gevonden duiven bij hun eigenaar terug te krijgen, krijg ik vragen over de beste manier om een gevonden jonge duif groot te brengen, enz. Bijna overal zit wel een interessant verhaal achter. Inmiddels heb ik honderden leuke mailwisselingen gehad waarvan ik de inhoud meestal in mijn columns verwerk. Daarnaast zijn er ook mensen met een bijzonder verhaal dat ze aan me kwijt willen en waaraan ik soms een hele column besteed. Zo werd ik afgelopen zomer benaderd door de 71e jarige Geert van Dijk uit Nijmegen. Hij stuurde me een epistel van vier A-viertjes en vroeg me of ik hier iets in zag voor een column. Omdat ik in die periode een paar keer naar Brabant moest en dan vrijwel langs Nijmegen kwam, maakte ik met Geert een afspraak en bracht ik op een zaterdagmorgen een paar genoeglijke uurtjes bij hem door waarin hij mij zijn verhaal vertelde.

Geert was een jaar of negen toen hij met de duivenbacil besmet raakte. Hij woonde met zijn ouders in een volksbuurt waar maar liefst 12 duivenmelkers woonden in een blok van 30 woningen. Elke zondag was het druk in de straat als de duiven thuis moesten komen. Jongens als Geert renden met de gummiringen heen en weer naar liefhebbers die een klok hadden, want lang niet iedereen had in die tijd een eigen klok. En natuurlijk wilde Geert op een gegeven moment ook zelf duiven houden. In een schuurtje mocht hij wel een stukje afschermen met gaas en plankjes, waar een paar ongeringde krijgertjes in gehuisvest werden. Dat waren overigens soms duiven die wel een ring om hadden gehad, want destijds waren er ook al jongens die vreemde duiven vingen en hun ringen afknipten. En ook toen werden er nog wel eens duiven gestolen. Dat is van alle tijden en niet alleen zoals ik soms in reportages of op internet lees, een verschijnsel van deze tijd. De jonge Geert is dat destijds ook een keer overkomen, maar de dader werd toen gelukkig betrapt. Een paar jaar later mocht Geert een hokje in de tuin zetten. Geld om duiven aan te schaffen was er niet, maar in die tijd kreeg je wel wat gemakkelijker dan tegenwoordig van goed spelende liefhebbers uit hun betere duiven een paar jongen. Ook kwamen er van Natural jonge duiven op gespaarde voerbonnen. Ook een mooi gebaar was dat degene die de manden schoonmaakte, geen contributie voor de duivenvereniging hoefde te betalen. En zo lukte het Geert om in de jaren zestig met zeer bescheiden middelen de duivensport uit te oefenen en daar veel plezier aan te beleven. De successen uit die tijd waren vooral dagsuccessen zoals 3 jaar achtereen de eerste in de club op Nationaal Orléans, wat ook in de kring Nijmegen vroege prijzen waren. Na zijn diensttijd werd Geert lid van de bekende Nijmeegse vereniging Prins Hendrik. De Kring Nijmegen bestond in die jaren uit 14 verenigingen. Inmiddels telt deze kring nu nog maar zeven clubs.

Na zijn huwelijk in 1967 volgden binnen een paar jaar enkele verhuizingen. Veelal was het woekeren met de ruimte om een duivenhok neer te zetten. Het ruimteprobleem werd begin jaren 70 opgelost door met zijn broer Wil in combinatie te gaan vliegen, waarbij bij zijn broer de vliegers werden gehuisvest en bij Geert de kwekers. Het vlieghok werd van kistenhout gemaakt dat hij gratis kreeg van een fabriek. Het was blijkbaar goed hout, want het hok staat nu na 40 jaar nog steeds bij zijn broer. Via bonnen werd aan betere duiven gekomen van o.a. Wout Smeulders uit Nuenen en Jos Leuris uit Ulicoten. Dat resulteerde ook in betere prestaties. Zo werd drie maal een 1e van de kring Nijmegen gevlogen met jongen uit een doffer van Wout Smeulders en werd het 2e generale kampioenschap in de club behaald. Geert heeft tot 2000 met zijn broer in combinatie aan de wedvluchten deelgenomen. Daarna verhuisde hij naar een appartement. Nadat zijn vrouw in 2010 overleed begon de eenzaamheid en leegte aan hem te knagen. Geert gaat nog wel regelmatig bij zijn broer de duiven opwachten en bezoekt ook nog geregeld de club. Maar hij wilde toch ook zelf weer een paar duiven om zich heen hebben en besloot op het balkon een hokje neer te zetten met ruimte voor twee koppels. Al tijdens het plaatsen van dit hokje op zijn balkon, gaven de buren aan niet gek te zijn op het geluid van koerende duiven. Twee weken later kwamen er vragen van de vereniging van eigenaren. Nadat Geert het bestuur geantwoord had dat het maar om vier duiven ging die nooit zouden loskomen, heeft hij niets meer gehoord. Om klachten te voorkomen haalt Geert wel elke avond de twee doffers uit het hok die hij in huis laat overnachten. Hij heeft even geprobeerd om ze ’s nachts in het hok te laten maar toen hij ’s morgens zelf wakker werd van het vrolijke gekoer, haalde hij ze maar weer snel naar binnen.

  

Zoals gezegd heeft Geert twee koppels in zijn balkonhokje. Deze duiven zijn op bonnen gehaald. Het was nog wel even puzzelen toen de jongen volwassen werden, omdat van de 6 duiven die hij gehaald had (bij Falco Ebben, Nico Jan Koenders en W. Geurtz) er slechts 1 een duivin was. Maar de familie Geurtz wilde wel een doffer omruilen voor een duivin en kreeg daarbij nog één van de doffers mee. Een andere doffer, een prachtige witte die hij van Falco Ebben had, heeft Geert aan Esther Bultman (Duivendirect) cadeau gedaan omdat deze bij hem te dominant was. Ester heeft daar op haar blog vorig jaar nog een leuk verhaal over geschreven. De duif is Witje gedoopt en siert de profielfoto op haar Facebookpagina. Ze heeft hem nog steeds en ik begreep van Esther dat hij op dit moment twee witte jongen in zijn broedschaal heeft liggen. De jongen die Geert kweekt gaan naar zijn broer en soms ook naar bevriende liefhebbers. Vorig jaar won zijn broer op de eerste jonge duiven vlucht de 1e prijs in de Kring Nijmegen en de 2e in regio 4 van de Afdeling 8 met een jonge doffer die op het balkonhokje bij Geert geboren was. Helaas werd hij twee weken later verspeeld. Zijn broer heeft twee jongen overgehouden die dit jaar als jaarling de baan op zullen gaan. Hopelijk gaan ze voor een herhaling zorgen! Dan zal Geert waarschijnlijk meer lawaai maken dan zijn duiven. Maar daar zullen zijn buren dan vast niet over klagen.


08-02-2014

Gerard Bekhuis – Balkbrug / Kweken.4

Naar aanleiding van mijn vorige column over dit onderwerp ontving ik verschillende reacties. Onder andere over de door mij gevolgde methodiek bij het koppelen. Zoals ik in mijn vorige columns over dit onderwerp al heb aangegeven geeft “de kunst van het kweken” van professor Anker en Steven van Breemen in mijn optiek een zeer bruikbare richtlijn bij het samenstellen van de koppels. Ik weet echter ook dat er genoeg critici van Steven van Breemen zijn methode zijn om een goed hok duiven op te bouwen, maar tot nog toe zie ik alleen maar voordelen en geen nadelen van deze methode. Daarnaast pakken mijn adviezen (grotendeels gebaseerd op deze methode) in de praktijk doorgaans goed uit. Dat houdt niet in dat er nu ineens grote aantallen superduiven worden geboren op de desbetreffende hokken, maar de gemiddelde kwaliteit en daarmee ook het prijspercentage en het aantal prijzen 1 op 10 neemt flink toe. En daar gaat het immers om! Maar nogmaals, ik heb het al vaker gezegd. Men is baas in eigen hok en ik zal zeker niet beweren dat ik de wijsheid in pacht heb.

Verder werd er door een lezer aangegeven dat de methode van goed x goed zonder bij te halen en verder nergens op te letten bij het koppelen, vrijwel zeker tot een neerwaartse spiraal zal leiden. Van steeds minder toppers kweken tot uiteindelijk helemaal geen meer. Wanneer goede spelers het kweken niet in de vingers hebben zal hun succes van korte duur zijn, tenzij ze constant blijven bijkopen schreef deze liefhebber. Hier sluit ik me volledig bij aan en ik ken hiervan vele praktijkvoorbeelden. Ik heb vele goede en slechte hokken bezocht en mijn ogen daarbij altijd goed open gehad. En wat ik in ieder geval zeker weet is dat de topliefhebbers die er in slagen om tientallen jaren in kampioensstijl te vliegen, met door hen zelf gekweekte duiven van meerdere generaties, op een enkele uitzondering na, liefhebbers zijn die goed weten wat ze doen. Op deze hokken zie je bijna alleen maar goed gebouwde duiven uit presterende ouders en grootouders, met goede rijkgekleurde ogen, goede spieren, goede vleugels en veelal zachte pluim. Op de hokken die niet presteren ligt de gemiddelde kwaliteit t.a.v. genoemde eigenschappen bijna altijd veel lager. Hoewel het bij die sommige slecht presterende liefhebbers ook voorkomt dat ze een hok prachtige duiven hebben die aan alle eisen voldoen. Hier speelt echter een ander aspect en dat is dat er niet op prestaties wordt geselecteerd, maar op stambomen. Daarover een andere keer meer.

Ruud Wienen, de liefhebber die centraal stond in mijn vorige column/minireportage, is een fondspeler en koppelt pas als de dagen al weer flink aan het lengen zijn. Deze keer breng ik een liefhebber voor het voetlicht die al tijdens de derde week van november koppelt, dus als de dagen nog korter worden. Het betreft de 59 jarige Gerard Bekhuis uit Balkbrug. 

 

Gerard is in 1977 met duiven begonnen van een liefhebber uit Vriezenveen, die bij Gerard vlees haalde, die destijds slager was en daarvoor met duiven wilde betalen omdat hij krap bij kas zat. Gerard ging hiermee akkoord en werd zodoende besmet met het duivenvirus. In die periode woonde hij in Tubbergen. De eerste successen kwamen begin jaren 80 met onder andere het jonge duiven kampioenschap van de toenmalige afdeling G, de huidige afdeling 9. Dit is tot nu toe een hoogtepunt in Gerards duivenloopbaan, althans v.w.b. zijn vliegcarrière. Want in de jaren 90 is Gerard overgeschakeld naar het showgebeuren. In de wintermaanden werd aan vele tentoonstellingen meegedaan. Zijn grootste succes met de showduiven was het winnen van maar liefst 22 halve varkens in één tentoonstellingsseizoen. Daarna volgde een periode van 15 jaar zonder duiven. In 2004 is Gerard in Dedemsvaart neergestreken en heeft daar een korte periode in combinatie gevlogen. Na een verhuizing startte hij in 2009 te Balkbrug opnieuw. Bij zijn huidige woning heeft hij weinig ruimte, dus moet hij zichzelf realistische doelen stellen. Gerard heeft slechts 18 duiven en bezit geen kweekkoppels. Hij speelt met deze bescheiden ploeg in principe vrijwel alleen op vitesse/midfond, maar zo nu en dan kan hij het niet laten om ook op de dagfond een paar duiven te spelen.

Gerard heeft zich in de periode dat hij zich met de showpostduiven bezig hield wel een klein beetje verdiept in het kweken. Dit betrof echter voornamelijk het kweken op de standaard. Hij raadpleegde hiervoor destijds het boek “Moderne inzichten in de postduivensport” van wijlen dokter Stam. Dit boek heb ik zelf destijds (in 1984) als aspirant keurmeester ook gebruikt om me op het theorie examen van de GvK voor te bereiden. Van erfelijkheidsleer wordt alleen de basis uitgelegd, overigens net als van de meeste in dit boek beschreven onderwerpen. Hoewel er dus niet veel over selecteren en koppelen wordt geschreven, raad ik dit boek wel iedere beginnende liefhebber aan, daar bijna alle onderwerpen de duivensport betreffende in begrijpelijke taal aan bod komen. Behalve dus middels het boek van dokter Stam, heeft Gerard zich niet echt verdiept in het koppelen en de kweek c.q. in erfelijkheidsleer. Hij onderscheidt zich hiermee niet van de doorsnee liefhebber en is daarom de juiste persoon om over dit onderwerp te bevragen.

Ik vroeg Gerard hoe hij doorgaans te werk gaat bij het koppelen. Of hij er veel werk van maakt of juist niet, of hij beredeneerd koppels samen stelt of juist niet, en indien beredeneerd wordt gekoppeld waar dan op gelet wordt. Dit was samengevat zijn antwoord; “Hoewel ik de koppels wel beredeneerd samen zet, maak ik er ook weer niet zo veel werk van. Ik heb geen kweekhok en ik geloof ook niet zo in goede kweekkoppels. Ik denk dat die er erg weinig zijn, hoewel de veilingsites ons anders willen doen laten geloven. Ik heb door de jaren heen net zoveel goede duiven gekweekt uit door mij bewust samen gezette koppels als uit toevalstreffers. Mijn beste duif ooit kwam uit een opvanger. Achteraf bleek deze wel een nazaat van de Kleine Dirk van Koopman te zijn. Het gaat er in de eerste plaats om dat je goede duiven moet hebben om goede jongen te kunnen laten voortbrengen. Maar zelfs dat is geen garantie voor succes, want ook uit goede duiven worden minderwaardige duiven gekweekt. Verder ben ik er zeker van dat wanneer je alleen maar goed x goed koppelt, zonder op andere zaken te letten, je beslist duiven zult kweken waarmee je op kampioensniveau kan meekomen. Echter, je zult het geen jaren volhouden als je er dan niet steeds duiven bijhaalt. Hoeveel hokken zie je niet na een paar jaar van zeer sterk spel weer terugvallen? Fouten komen altijd weer terug! Zeker als er dan ook nog in bloedverwantschap wordt gekweekt, dan boeren zulke liefhebbers zeer hard achteruit. Uit duiven die zichtbare lichamelijke tekortkomingen hebben wordt bij mij niet gekweekt. Omdat ik maar een paar duiven heb, ontkom ik er niet aan om duiven met dezelfde kleur ogen op elkaar te zetten, maar als het even kan doe ik dat niet. Ik probeer ook altijd zoveel mogelijk te compenseren en heb een voorliefde voor kleine compacte duivinnen. Ik ben geen liefhebber van te nauwe inteelt. Kleinkinderen op hun grootouders zetten is geen probleem, maar broer x zus of moeder x zoon, daar begin ik niet aan. Volgens mij is het veelvuldig intelen en het kweken uit duiven die het niet waard zijn om uit te kweken één van de oorzaken van de vele verliezen met jonge duiven tegenwoordig.”

Tot zover Gerard Bekhuis die met bescheiden middelen en een klein hokje duiven regelmatig vroege duiven draait. Inmiddels heeft hij een prima winterkweek gehad en zijn de jonge duiven al afgespeend. Hier heeft hij weinig moeite voor hoeven doen. Alleen vlak voor het koppelen ’s avonds bij lichten, één keer voor te koppelen en daarnaast als enige bijprodukt Chorella poeder over het voer (een gewone kweekmengeling) te doen naast het verstrekken van grit en mineralen. Van 9 koppels heeft Gerard 17 jongen gekweekt. Als het vliegseizoen ook zo verloopt hoeft hij zich geen zorgen te maken.


25-01-2014

Ruud Wienen – Beuningen / Kweken.3

Voor velen is inmiddels het kweekseizoen 2014 aangebroken. De zachte winter speelt de vroege kwekers in de kaart en ik hoor dan ook eigenlijk alleen maar positieve geluiden over het verloop van de kweek tot nu toe. Ik ben zelf geen voorstander van kweken in november en december, in een tijd dat de dagen nog dagelijks korter worden. Maar met de juiste voorbereiding is winterkweek toch zeer goed mogelijk en zeker met de huidige weersomstandigheden. De reden dat ik de winterkweek niet promoot is omdat dit tegen de natuur is en ik er absoluut van overtuigd ben dat het zo natuurlijk mogelijk houden van de duiven meer rendement oplevert op de lange duur. Maar ik ben realist genoeg dat ik me terdege besef dat het streven naar kortstondig succes niet meer weg te denken is bij deze huidige tijd waarin alles immers sneller moet en vluchtiger is. Bij dit gericht zijn op kortstondig succes past het zorgvuldig voorbereiden op de kweek ook niet. En dat zie en hoor ik helaas ook veel terug. Er worden zelfs duiven op de winterkweek gezet die nog niet eens klaar met de rui zijn en die in augustus nog jongen hebben grootgebracht. Over het belang van de ruiperiode, uitgebalanceerd voeren, zorgen voor voldoende bouwstoffen en goed voorbereid de kweekperiode ingaan adviseer ik om de zeer interessante artikelen van Willem Mulder te lezen, op internet of in zijn boek.

Ik gaf in mijn vorige column over dit onderwerp aan dat ik nog terug zou komen op de voordelen van beredeneerd koppelen, maar als zelfs de “groten” roepen dat het geen enkele zin heeft om beredeneerd kweekkoppels samen te stellen, voel ik me soms een roepende in de woestijn. Wat dat betreft voel ik me wel gesteund door de artikelenreeks van Steven van Bremen in “het Spoor” onder de titel “Spoorzoekers”. In deze reeks beschrijft hij zeer gedetailleerd alle kenmerken waaraan een goede duif dient te voldoen en hoe die zijn te herkennen, evenals hoe je je voordeel hier mee kan doen in de kweek. Voor een ieder die zijn eigen kwekers zelf wil kweken in plaats van met grote regelmaat de veilingsites af te stropen en de portemonnee te trekken, beveel ik deze artikelen ten zeerste aan. Al vaker heb ik zijn boek “de kunst van het kweken” genoemd. In mijn ogen mag dit boek niet ontbreken in de boekenkast van een ieder die iets wil bereiken in de duivensport.

De liefhebbers die niet beredeneerd koppelen stellen zichzelf niet eens de vraag hoe ze te werk zullen gaan als het kweekseizoen is aangebroken. Op Facebook en een aantal websites las ik hier alweer vele voorbeelden van. Ook las ik weer regelmatig de kreet “goed x goed”. Een mijn inziens misplaatst advies, want het gros van de liefhebbers heeft immers geen hok vol goede duiven. En wat is goed? Alleen de grote kampioenen en kweekcentra met een hok vol topduiven kunnen nationale winnaars en duifkampioenen tegen elkaar koppelen. De doorsnee liefhebber zal het toch anders moeten aanpakken. Mijn uitgangspunt is overigens ook goed tegen goed, maar door daarnaast rekening te houden met afstamming, lichaamsbouw en dan vooral met de ogen, spieren, vleugels en kwaliteit pluim, alsmede met het karakter en de vitaliteit van de duiven, zal je een veel groter percentage goede duiven kweken dan wanneer je dit niet doet.

Door zorgvuldig te bepalen welke doffer je tegen welke duivin zet, bepaal je in grote mate je succes. Natuurlijk worden uit spontane koppelingen ook wel eens toppers gekweekt. Maar dit zijn de zogenaamde geluks- of toevalstreffers.  Ik ben van mening dat je zelf zoveel mogelijk moet doen dat binnen je vermogen ligt om het geluk af te dwingen. Iemand die er voor gekozen heeft om in ieder geval niet meer te wachten op die ene gelukstreffer is de 51 jarige Ruud Wienen uit Beuningen. Door duivenforum het Praathuis ben ik met Ruud in contact gekomen. Het werd tijd om de zaken eens goed aan te pakken schreef Ruud na een slecht verlopen seizoen 2012. Ik bood hem aan om zijn duiven te beoordelen en te koppelen. En omdat had hij ook twijfels had of zijn hokklimaat wel goed was, ben ik in de winter van 2012/2013 samen met John Limburg, die het hok daarbij grondig onder de loep heeft genomen, op hokbezoek bij Ruud geweest. Ruud is van huis uit met duiven opgegroeid en zit dus zijn hele leven al in de duiven. Gedurende zijn duivenloopbaan heeft hij verschillende successen gekend, zowel op de programmavluchten als op de overnacht. Zijn mooiste succes was echter afgelopen jaar met een 1e NPO en 2e nationaal op Orange. Op deze zware vlucht waren er ’s avonds vier duiven die hun hok bereikten en één daarvan was de 76 van Ruud. Ik had deze doffer een half jaar eerder aangewezen als toekomstige stamduif en Ruud het advies te geven uit deze doffer vooral veel te kweken. Het zal geen verbazing wekken dat dit advies na zijn overwinning op Orange direct is opgevolgd. Inmiddels zit deze doffer naast een viertal van zijn kinderen en nog een paar nieuwe aanwinsten op het tevens nieuw aangeschafte kweekhokje. Dat de aanpassingen aan zijn hok, op advies van John Limburg, zo snel hun vruchten zouden afwerpen was natuurlijk niet voorzien, maar duidelijk is wel dat hij aan het hok nu niets meer hoeft te doen.

Nu het hok dus goed is en er een aantal duiven zijn waaronder de Orangewinnaar, die uit het goede hout gesneden zijn om een hok mee op te bouwen voor de zware fond, zal het vizier de komende tijd naast het spelen, meer dan voorheen op de kweek gericht zijn. Zoals gezegd heeft Ruud daarvoor een kweekhokje aangeschaft. Hij geeft aan dat kweken eigenlijk altijd minder zijn aandacht had dan het vliegen, maar nadat er de laatste jaren in het voor- en najaar steeds een aantal duiven slachtoffer van de roofvogel werden en hij in 2012 de helft van zijn vliegploeg al tijdens de invliegvluchten kwijt raakte, is hij aan het denken gezet. Er kwam te weinig aanwas en de gemiddelde kwaliteit kwam lager te liggen omdat er nauwelijks meer geselecteerd kon worden. Ruud geeft aan dat hij in het verleden toen hij nog programmaspeler was altijd goed x goed koppelde en toen ook een kweekhok bezat. Echter bij de overnacht duurt het echter wel minimaal 2 jaar voordat je weet wat een duif kan. “Omdat ik nu klein behuisd ben en maar een beperkt aantal duiven kan houden heb ik mijn overnachtduiven de laatste jaren vrij laten paren. En dat pakte lang niet altijd verkeerd uit. Zo komt mijn Orangewinnaar de 76 ook uit een vrije paring. Maar wanneer je de stamboom bekijkt zie je dat hij wel voortkomt uit lijnenteelt en daar wil ik me dan ook meer op gaan richten. Ik geloof niet zo in goede kweekkoppels, maar wel in goede kweekduiven. Toen ik ik nog het programmaspel speelde heb ik 2 duifkampioenen gehad van de kring Nijmegen en deze kwamen uit kwekers. Hun ouders had ik wel bewust zo gezet op basis van goed x goed, maar ik heb nog nooit gekeken naar ogen, bouw, vleugels etc. Deze duifkampioenen waren allebei kruisingsproducten. Ik had toen een heel goed kweekhok waaruit ik elk jaar wel één of meerdere echte topduiven kweekte. En dat kweekhok bestond uit duiven die ik als jong had aangeschaft voor een zachte prijs in het najaar bij een kleine melker in de buurt van Nijmegen. En jongen van deze duiven gaven in kruising met duiven van Laurensen echte supers. Het leek toen allemaal wel vanzelf te gaan.”

  

Ruud geeft aan dat hij altijd pas rond eind maart koppelt en zodoende ook niet al te veel hoeft voor te bereiden, want de duiven zijn er uit zichzelf altijd al klaar voor in die periode. Problemen met de kweek kent hij ook niet. Hij voert drie merken voer en mengt dat met P40, Tovo en wat snoepzaad. Zijn moto is hou het zo simpel mogelijk. Het moet ook betaalbaar en vooral leuk blijven zegt Ruud. Dure duiven worden door hem evenmin gekocht. Er wordt naar zijn mening veel te veel geld betaald voor duiven. Hij heeft zijn huidige duivenbestand geheel opgebouwd uit krijgertjes en duiven verkregen op een bon waarvan de aanschafprijs binnen zijn budget lag. “Ik doe ook mee aan een ruilcompetitie van duivenforum Het Praathuis wat mij ook al een paar hele leuke duiven heeft opgeleverd. Ik ben best wel ambitieus, maar ik ken mijn beperkingen. Ik streef naar mooie uitslagen met minstens 50% prijspercentage en dan komen de kampioenschappen meestal vanzelf, vooral als je er ook nog een paar toppers bij hebt. Maar die heb ik op dit moment niet. Ik wil in de toekomst met 16 koppels spelen, maar zo’n aantal heb ik tot nog toe nooit gehaald. Maar met 9 koppels kwekers in de toekomst verwacht ik dat dit wel zal gaan gebeuren. Misschien dat ik dan ook aan de ZLU vluchten ga deelnemen.”


12-01-2014

Jeugd en Duivensport.4 / PV De Streekvliegers - Staphorst

Mijn laatste column over het onderwerp jeugd en duivensport schreef ik anderhalf jaar geleden. Het werd mijn inziens dan ook nodig tijd om weer eens aandacht aan dit onderwerp te schenken. Deze keer breng ik niet één maar drie jeugdliefhebbers tegelijk voor het voetlicht in de minireportage. Het betreft alle drie jeugdliefhebbers uit één vereniging, namelijk van de Streekvliegers uit Staphorst. Deze vereniging doet erg veel om jeugd binnen te halen en niet zonder resultaat als je ziet dat deze club op een bestand van 80 leden maar liefst 15 jeugdleden telt. De gemiddelde leeftijd van de leden ligt dan ook veel lager dan elders. Vorig jaar organiseerde de Streekvliegers een open dag in hun clubgebouw en nieuwe leden worden faciliteiten geboden om op een gunstige wijze duivensport te kunnen beoefenen. Zo biedt deze vereniging de mogelijkheid om een hok, de klok, enz. in bruikleen te nemen, waarbij de kosten voor rekening van de vereniging zijn. Omdat ik dergelijke initiatieven zeer toejuich, wil ik graag ook een steentje bijdragen. Nadat ik had gelezen dat de bekende fondspeler Henri Hoeks een aantal prijzen beschikbaar stelde voor de jeugd in Staphorst, besloot ik om diens voorbeeld te volgen. Na overleg met Bert Bloemert, bestuurslid van de Streekvliegers, hebben Bert en ik vervolgens  samen een aantal prijzen aangeschaft die op de jonge duivenvlucht Pommeroeul van 17-08 werden vervlogen. De eerste drie winnaars op deze z.g. attractievlucht waren Chris Dunnink (op de foto in het midden), Roeljan Crediet (rechts) en Sander Kooiker (links). Zij staan centraal in deze minireportage.

Chris Dunnink

Chris is 9 jaar oud en heeft sinds een jaar een hokje voor zichzelf dat hij van de vereniging heeft gekregen (1.20 x 1.20 m). Hij is met de duivensport in contact gekomen door zijn vader (Appie Dunnink) en een vriendje. Chris heeft 8 duiven, waarvan er vier afkomstig zijn van zijn vader, drie van clubleden en een opvanger uit Amsterdam. Hij verzorgt zijn duiven zelf met een beetje hulp van zijn vader (v.w.b. het voeren) en zijn moeder (het loslaten). Chris vindt vooral het tam maken van de duiven erg leuk. De duiven zitten dan ook graag op zijn schouders. De keerzijde hiervan is wel dat hij ze soms wat te veel voert, maar zijn vader houdt wel een oogje in het zeil. Chris vindt het leuk dat er zoveel jeugdleden zijn. Vaak wordt er met elkaar gevoetbald. Zijn mooiste prestaties zijn tot nu toe het winnen van deze vlucht bij de jeugd en nog een andere vlucht eveneens bij de jeugd. Zijn beste duif was de 834 die hij van zijn vader had gekregen, maar deze is helaas achtergebleven op Morlincourt. De duif die de 1e prijs won op Pommeroeul was de 13-732. Dit is een blauwbont duivinnetje dat Chris heeft gekregen van Peter van der Haar en die heeft hij gelukkig nog wel.

Roel Jan Crediet

Roel Jan is 20 jaar en heeft vanaf ongeveer maart 2013 postduiven. Hij is één van de nieuwe leden die zich hebben aangemeld op de open dag die de Streekvliegers in december 2012 organiseerde. Roel Jan liep al langer met het idee rond om duiven aan te schaffen, maar had daarbij niet zozeer aan postduiven gedacht. Op de open dag raakte hij echter enthousiast en ook bij zijn vader, die als jongen zelf een paar jaar postduiven had gehad, sloeg het virus weer toe. Roel Jan beoefent de duivensport geheel zelfstandig, maar hij krijgt soms wel advies van Appie Dunnink van wie hij ook duiven heeft gehad. Het mooie aan de duivensport vindt hij vooral het vliegen van zijn koppeltje duiven tijdens de training en het zien thuiskomen van de vlucht. Roel Jan heeft een hokje van 2 x 1.40 meter. Hij is begonnen met 15 duiven en heeft er daar nu nog 13 van. Dat is zeker geen slechte score als je weet dat hij het hele vliegprogramma met de jongen heeft meegedaan. Roel Jan kijkt sowieso tevreden terug op een prima start van zijn duivenloopbaan. Behalve de 2e plaats met de 934 op de attractievlucht Pommeroeul vloog zijn 924 op Wijchen een 1e in de B-divisie en 3e van de hele vereniging met 1014 duiven. Beide duiven heeft hij van Appie Dunnink gekregen en ze zijn er allebei nog.

Sander Kooiker                                                       

Sander is 15 jaar en begon op zijn 10e jaar met een paar sierduiven. Die heeft hij ongeveer 2 a 3 jaar gehad. Daarna heeft hij de overstap gemaakt naar postduiven. Sander zag altijd grote koppels postduiven rondvliegen van omwonende liefhebbers en dat vond hij zo mooi dat hij besloot om zelf postduiven te gaan houden. Zijn vader had er ook wel aardigheid in. Dus bouwde deze een mooi hok voor hem van 7,5 meter lang dat in een L vorm is neergezet. Toen Sander twee jaar geleden begon kreeg hij duiven van de vereniging. Met de nakomelingen van deze duiven doet hij al leuk mee. Behalve dat hij de 3e prijs op de attractievlucht won, is hij ook 1e generaal kampioen geworden bij de jeugd. Sander begint het seizoen 2014 met 20 oude duiven en hoopt met ongeveer 25 jonge duiven de resultaten van het afgelopen jaar te verbeteren en stiekem hoopt hij op die discipline een 1e prijs in de gehele vereniging te winnen. Daar zat hij afgelopen jaar met een 4e op Hapert tegen 970 duiven al dichtbij. Dat was met de 959 een zusje van de 960 die de 3e plaats won op de attractievlucht. Beide duiven heeft hij zelf gekweekt uit duiven van Appie Dunnink. Sander kan enorm genieten van het thuiskomen van zijn duiven van de vlucht, vooral als een duif van grote hoogte met hoge snelheid uit de lucht naar beneden komt duiken. Het zien opgroeien van de jonge duiven vindt hij ook prachtig. Sander heeft zijn duiven vrij mak, ze eten uit zijn handen. Wat hij wel lastig vindt is het laten trainen van de duivinnen. Dat lukte afgelopen jaar nog niet echt goed. Naast van duiven houdt hij ook van voetbal en vissen, maar de duiven staan bovenaan. Als Sander deze drive behoudt zal het volgens mij niet lang duren voordat hij die felbegeerde eerste prijs gaat winnen.

Op 4 januari bezocht ik de tentoonstelling van de Streekvliegers. Ook toen was er weer veel aandacht voor de jeugd. Er waren door prominente liefhebbers uit het gehele land bonnen beschikbaar gesteld. Deze bonnen werden verloot onder de jeugdliefhebbers. De landelijk bekende kampioenen Chantal Vredeveld en Marcel Sangers waren bereid gevonden om de trekking te verrichten. Onder luid applaus werden de bonnen uit de emmer gevist en aan de jeugdleden overhandigd. Een prachtig initiatief en een heel sportief gebaar van deze topliefhebbers.

 

 

 

 

de-duivencoach.nl (K.v.K 01166256)  |  info@de-duivencoach.nl