
Koppelen:
Over koppelen is heel veel geschreven. U kunt hierover echter net zoveel waarheden als pertinente onwaarheden vinden. Zo wordt er bijvoorbeeld geschreven, dat de beste koppels die koppels zijn waarbij de doffer en duivin elkaar zelf hebben uitgezocht. Als dit waar zou zijn, zou immers niemand meer de moeite doen om zelf koppels samen te stellen. Maar dat er ook goede koppels uit het vrij laten paren kunnen voortkomen, zal ik zeker niet betwisten. Toch zal het aantal goede duiven dat is voortgekomen uit koppels die bewust bij elkaar zijn gezet, veel groter zijn. Vooral bij liefhebbers die (nog) niet beschikken over een kwalitatief goed hok duiven is het niet aan te raden om de koppels niet bewust samen te stellen.
Koppelen hoeft niet moeilijk te zijn. Tenminste niet wanneer u ervoor zorgt dat u goede duiven bezit met goed presterende ouders en grootouders, dus niet alleen maar goede duiven in de vierde of vijfde generatie. Door met goede duiven te starten legt u de basis voor uw succes. Goed maal goed geeft de meeste kans op succes, maar ook dit is absoluut geen garantie voor het kweken van kampioenen. Factoren als weersgeschiktheid (prijzen winnen bij open helder weer of juist bij regen, wind achter of wind tegen) en afstandsgeschiktheid (vitesse/midfond, eendaagse fond of overnacht) dienen te worden meegewogen bij het koppelen. Ik zou bijvoorbeeld geen pure sprinters op pure overnachters zetten. Zeker niet als u op één van deze disciplines wilt uitblinken. Toch ben ik dit veel tegengekomen in de praktijk en werden de prestaties van hun nazaten pas beter als deze duiven werden overgekoppeld. Ook ken ik verschillende liefhebbers die alleen kweken uit hun kwekers en niet uit hun vliegers. Ik vind dat niet verstandig. Ik adviseer u om veel te kweken, ook uit de vliegers en de jaarlingen. Wanneer u de afstammingen van goede vliegers bestudeert zult u zien dat menige topper gekweekt is uit jaarlingen.
Ik zou meer dan een pagina nodig hebben om uiteen te zetten waarop ik zelf let bij het koppelen, maar in het kort weergegeven komt het er op neer dat ik gebruik maak van alle kennis over de duiven die ik koppel die mij ten dienste staat, dus de lichaamskenmerken, prestaties en afstamming. Daarnaast gebruik ik wat mij het meest bruikbaar is gebleken van de verschillende theorieën die er zoal zijn, een beetje kennis van erfelijkheidsleer, aangevuld met praktijkervaring en wat feeling. Ik probeer het toeval zoveel mogelijk uit te sluiten. Toch heb ook ik ervaren dat veel goede duiven niet zelden worden geboren uit koppels waar je het niet direct van verwachtte. Hieruit zou u de conclusie kunnen trekken dat het toeval een zodanig grote vinger in de pap heeft dat het geen zin heeft om veel werk van het koppelen te maken. Dat is echter niet zo. U hebt natuurlijk ook wat geluk nodig en dat ontken ik niet. Maar dit geluk kan wel enigszins worden afgedwongen en daar zou ik u graag mee helpen.

Klik op de foto/banner en u komt op de site van Bob Berendsen een expert op het gebied van de ogentheorie. Deze site beveel ik u van harte aan!