Selecteren / Beoordelen

Selecteren is één van de moeilijkste dingen, maar is volgens mij (samen met koppelen) het belangrijkste in de duivensport. Niet goed selecteren betekent geen of slechts kortstondig succes. De al jaren in kampioensstijl spelende liefhebbers hebben het selecteren vrijwel altijd onder de knie en laten in veel gevallen vooral de mand het werk doen. Een bekende uitspraak is "de mand is de beste keurmeester". Dus selecteren van de duiven op basis van hun prestaties. Maar dit selectiecriterium gaat in ieder geval al niet op voor het selecteren van jonge duiven. Ik ben van mening dat veel jonge duiven worden uitgeselecteerd die zouden kunnen uitgroeien tot goede of zeer goede vliegers. Anderen, vooral degenen die niet met de jonge duiven spelen, laten de afstamming weer zwaarder wegen en weer anderen kijken met name naar de lichaamsbouw en gezondheid.

Niemand kan met 100 % zekerheid zeggen wat een goede postduif is, maar er zijn wel zeker mensen die de bal vaker raak dan mis slaan. Zij hanteren hiervoor dikwijls verschillende theorieën zoals de ogentheorie, vleugeltheorie, kelentheorie, enz.  Maar meestal bezitten deze mensen nog iets extra's. Dit extra's wordt meestal benoemd als fingerspitzengefühl, ook wel als feeling of intuïtief aanvoelen aangegeven. Deze extra eigenschap heb je of heb je niet, het laat zich moeilijk beschrijven en is niet aan te leren. Al wordt dit gevoel volgens mij wel aangescherpt wanneer je veel goede duiven in je handen hebt gehad. 

Bij het selecteren c.q. beoordelen van de duif maak ik gebruik van alle hierboven genoemde aspecten en theorieën aangevuld met fingerspitzengefühl. Voor 75% tellen voor mij prestaties, afstamming, lichaamsbouw, gezondheid (vitaliteit). Voor de overige 25% laat ik me leiden door het oog en mijn gevoel bij de desbetreffende duif. Met deze methode van beoordelen durf ik uit ervaring te stellen dat ik tussen de 80 en 90 % van de duiven die mij ter beoordeling worden aangeboden op hun juiste waarde taxeer. Een 100 % score zou natuurlijk nog mooier zijn. Echter er blijft een zeer belangrijk aspect over en dat is het oriëntatie vermogen. Al is de duif nog zo perfect gebouwd, zonder een goed oriëntatie vermogen is die waardeloos. Wat er in het kopje van de duif zit kan niemand zien, daar kun je alleen naar raden.  Daar heb je de mand toch echt bij nodig!

Na in de afgelopen 2 ½ jaar enkele duizenden duiven in handen te hebben gehad, heb ik mijn werkwijze geleidelijk aan steeds verder ontwikkeld en verbeterd. Vanaf het begin heb ik de duiven met punten gewaardeerd. Verschillende liefhebbers willen graag uitleg bij die puntentoekenning en daarom heb ik besloten dit op mijn site uiteen te zetten.

Een duif zonder fouten in zichtbare of voelbare kenmerken krijgt standaard van mij een 8.

Wanneer een duif van mij geen 8 krijgt adviseer ik om er niet uit te kweken, tenzij het een zeer goede vlieger betreft. Meestal betreft het dan een duif die vrijwel alleen op het korte werk ( max. 4 uur vliegen) zijn beste prestaties heeft behaald. Er zijn (vooral in België) soms hokken vol zeventjes die op de sprint menige kopprijs wegpakken. Voor het vliegprogramma dat wij in Nederland kennen kom je met zulke duiven meestal niet ver. Het zijn ook juist deze hokken die met een zgn. rampvlucht de grootste verliezen lijden.

Vervolgens beoordeel ik de duif op een aantal essentiële kenmerken. Mankeert er iets aan de lichaamsbouw bijvoorbeeld niet gesloten stuitbeentjes, een slap frame, staart omhoog of spreiden van de staart, of de bek open bij lichte druk op de rug, gaat er ¼ af dus zo’n duif kan maximaal een 8- krijgen. (maar meestal mankeert er aan deze duiven veel meer)

Is de voorarm (de vleugelboeg) van de slagvleugel lang en dun en niet in verhouding met het lichaam, is er sprake van een slecht gesloten vleugel (de eerste zes slagpennen moeten een volkomen gesloten oppervlak vormen), of heeft de duif een lange achtervleugel dan gaat er ook ¼ af.

Ogen. Een kaal/flets oog met weinig pigment en glans, een grote pupil, en een domme uitdrukking is ¼ er af.

Kwaliteit bevedering. Droge dorre pluim, en weinig of geen glans op de veren, 1/4 er af. Hier heeft de liefhebber overigens wel flink wat invloed op. Zitten zulke duiven echter op een hok tussen voor het merendeel duiven met zachte, enigszins vettige en glanzende pluim telt dat voor mij extra zwaar.

Korte en/of nauwelijks voelbare spieren wederom ¼ er af. Hierbij moet ik wel opmerken dat ik de leeftijd van de duif en het al dan niet losvliegen mee weeg in mijn beoordeling.

Alles bij elkaar opgeteld kan een duif middels mijn beoordeling met bovenstaande fouten/gebreken tussen de 8- en 6 ½ halen. Veel lager dan een 6 ½ kom ik dus niet zo vaak uit. In die enkele gevallen waarin ik zelfs geen 6 (dus voldoende) wil geven is de gezondheid daarnaast ook twijfelachtig en betreft het vaak ook nog eens een zeer schuwe en nerveuze duif. 

Wat vind ik goede en hele beste duiven? Alle duiven vanaf een 8 zijn in mijn ogen zondermeer geschikt om te mogen blijven en van te kweken. Wanneer krijgt een duif meer dan 8 punten?

Spieren. Er komt ¼ bovenop als de duif goed tot zeer goed gespierd is

Ogen. Er komt ¼ bovenop als de duif een goed tot zeer goed oog heeft (onder andere veel pigment en een kleine beweeglijke pupil). De ogentheorie neem ik hierbij zeker serieus. Daarnaast zegt de intensiteit van de oogkleur ook veel over de vitaliteit.

Vleugels/pluim. Er komt ¼ bovenop als de duif een zeer goede vleugel en/of zachte pluim heeft.

Een duif met bovengenoemde extra’s kan dus maximaal  een 9- kan halen wanneer deze onbevlogen is en er van de kweekwaarde nog niets bekend is.

Betreft het daarnaast ook een goede vlieger (winnaar van 1e en kopprijzen in groot verband) komt er een ¼ bij. Heeft de duif ook nog eens goede nazaten gegeven komt er nog een ¼ punt bij.

Op basis van bovenstaande puntentoekenning heb ik dus weleens een  9 + gegeven. Maar dat dat komt niet zoveel voor. Een hoger cijfer dan een 9 ½ zal ik overigens wel nooit geven. Dat zijn dan asduiven, stamvaders en stammoeders van topkolonies. Die zijn zeer dun gezaaid. En een 10 bestaat niet. Dat heb ik niet van mezelf maar van de beroemde geneticus professor Anker. Deze zegt in zijn boek “de kunst van het kweken” (dat hij samen met Steven van Breemen schreef) dat het uitgesloten is dat er duiven bestaan die alleen maar positieve eigenschappen bezitten.

Ik weet dat ik me met bovenstaande beschrijving van mijn wijze van beoordelen c.q. selecteren de kritiek van sommige (waarvan enkele zeer bekende) liefhebbers op de hals haal, maar ik ben er van overtuigd dat deze wijze van selectie zijn vruchten afwerpt en ik kan dat bewijzen.

 

Op deze pagina staan foto’s van drie generaties duiven waarvan de twee ousten (moeder en dochter) door mij zijn beoordeeld met een 9+. De jonge rode doffer (is zoon en kleinzoon) die ook al een 1e heeft gevlogen tegen ruim 12.000 duiven, kreeg vooralsnog een 9-.  Maar ontpopt deze doffer zich de komende jaren als een goede vlieger en kweker zoals zijn moeder en grootmoeder zal ook hij een 9+ van mij krijgen. Het zal geen verrassing zijn dat ik adviseer om met dergelijke duiven te starten of als versterking bij te halen.

Tot slot wil ik nog vermelden dat ik de duiven alleen beoordeel, maar dat ik de betreffende liefehebber zelf de keuze laat maken welke duiven hij opruimt. Voor de ene liefhebber zal dat betekenen dat hij alle duiven onder de 7 opruimt en bij een ander ligt de lat soms op een 8 of een 8+.

de-duivencoach.nl (K.v.K 01166256)  |  info@de-duivencoach.nl